Hoe de clownvis de wereld veroverde

Mensen worden graag meegenomen in een verhaal (wat waarschijnlijk ook de reden is waarom je deze blogpost leest). De entertainmentindustrie speelt hier handig op in en weet ons keer op keer te verrassen met een nieuw onderwerp. Soms wordt daar een bijzondere onderwaterbewoner voor gebruikt die na een succesvolle productie voortaan anders worden behandeld. De b.o.b. die het spits van deze rubriek afbijt: De Clownvis.

Een iconische combinatie van een grijze rugvin en een cello (bedankt nog, Steven Spielberg) zorgde ervoor dat ik als zwemmend kind zelfs in het zwembad nog een keertje extra achterom keek. Een Amerikaanse tv-serie over een altijd lachende dolfijn zorgde eerst voor dikke rijen mensen (en andersom) op de Harderwijkse Veluwe en later zelfs voor een kijkje in een verboden baai. Gelukkig werkt dit fenomeen van mediahype ook de andere kant op en hoor ik zelfs 14 jaar na de release nog bij menig zoutwateraquarium: “Kijk mama, een Nemo!”.

Clownvissen dus. Dankzij Pixar, die het voor elkaar kreeg om een vissensoort menselijke emoties te laten uiten. En met succes, want de film staat nog steeds hoog in mijn animatie-top-10. Toch weet ik als duiker ook hoe het er in het echt aan toe gaat en voor een objectief beeld is dat mogelijk interessant. Mocht je liever blijven geloven dat clownvissen kunnen praten dan raad ik je vooral aan om niet verder te lezen.

De clownvis is een anemoonvis en heeft afhankelijk van de soort 1,2 of 3 witte banden om zijn lijf. Je kunt hem (of haar, daar kom ik zo nog op terug) vinden op de tropische koraalriffen en omdat ze niet heel diep leven en zich niet snel verstoppen zijn ze relatief makkelijk te vinden voor elke (beginnende) duiker. De reden dat ze zich niet snel verstoppen is omdat ze een vrij unieke bescherming hebben van een ander onderwaterdier: een anemoon. Waar deze normaal zelf vis op het menu heeft staan is de clownvis ongevoelig voor de giftige tentakels, die voor blote mensenhanden ook nog best pijnlijk zijn. Of evolutie deze vissen daarnaast ook zo arrogant heeft gemaakt moet nog blijken, maar clownvissen zijn vaak alles behalve bang.

Als duikgids in de tropen, wat ik ook een tijdje gedaan heb, is het na verloop van tijd eenvoudig om het soort anemoon waar ze in zitten te herkennen. Daarna is het een kwestie van de mededuikers het clownvis handsignaal te geven en je ziet ze mentaal uitroepen: “Nemo’s!”. Clownvissen die duikers gewend zijn hebben vaak geen probleem om de anemoon tijdelijk te verlaten voor een confrontatie, en ik heb er wel eens één meegemaakt die als een dolle kamikazepiloot frontaal tegen het glas van mijn duikmasker botste. Dat heb ik ze in de film niet zien doen.

Wat in de film ook minder goed naar voren kwam is dat clownsvissen van geslacht (kunnen) veranderen. En vrij praktisch ook nog. Elke clownvis wordt als inactieve vrouw geboren en elke anemoon heeft een groepje van meerdere mannen en één vrouw. Zodra deze vrouw haar laatste slok water uitblaast verandert een van de mannen in de nieuwe vrouw. Waar wij als mensen discussies hebben over waar genderneutralen naar de wc moeten, zorgen de clownvissen voor duidelijkheid. Mocht je zo’n omgekeerde harem een keer in hun anemoon tegenkomen dan is de grootste clownvis altijd het vrouwtje. Mocht dit vrouwtje zich toch nog wat mannelijk gedragen (shag roken, flauwe opmerkingen, ankertattoo’s nog niet weg laten halen, dat soort werk), dan weet je dat het vorige vrouwtje nog niet zo lang geleden is heengegaan.

Nu we de basics hebben gehad wordt het tijd voor een diepere laag van informatie. Wetenschappers zijn er namelijk nog niet over uit (goh?) welke relatie de vis nu precies met de anemoon heeft. Feit is dat de vissen zich continue aan de tentakels van de anemoon schuren om resistentie tegen het gif te behouden. In de tussentijd houden ze de anemoon gevoed, schoon en verdedigen deze zelfs tegen roofdieren. De anemoon profiteert hier dus en in ruil daarvoor krijgen de visjes een ‘welbetentakeld onderwaterkomen’ (moeilijk om hier een term zonder enige vorm van een dak te gebruiken). De biologische term hiervoor is een symbiotische relatie. Toch is er ook een andere stroming, en deze theorie vind ik zelf de leukste, die oppert dat de anemoon juist controle heeft over de vissen door stoffen aan te maken die zij door het schuren opnemen. Zo zou een anemoon op slinkse wijze misschien wel de eerder genoemde arrogantie bij een bezoek van duikers kunnen veroorzaken. Theorie, (nog) geen bewijs, maar zeker leuk om tijdens een decobiertje eens over na te denken.

De Pixar keuze voor deze b.o.b heeft ervoor gezorgd dat deze vissen zeer populair zijn geworden en daarmee niet alleen in de zee. Ook zoutwateraquaria zitten er vol mee wat als duiker potentieel een puntje van kritiek zou kunnen zijn: “Graag wel wat laten zitten voor ons”. Gelukkig heeft de Pixar hype ook hier positief effect. Clownvissen zijn namelijk relatief eenvoudig in gevangenschap te kweken en een vraag doet in dit geval goede dingen voor het aanbod. Zo zullen de Nemo’s in gevangenschap ook regelmatig botsen tegen het glas, maar eerder uit onhandigheid dan uit agressie.

Vond je deze blogpost leuk om te lezen? Deel dit plezier dan en gebruik de knoppen hieronder om dit verhaal via Social Media te delen.

Waarom je in Nederlands water wil duiken

“Zie je daar iets dan?” is een veelgehoorde reactie op mijn, inmiddels vanzelfsprekende, overtuiging om ook in Nederlands water te kunnen en vooral willen duiken. Soms geniet ik even van het moment van stoer zijn, omdat ik dit dus wel doe en dus…..durf? Dat moment is gelukkig kort, want de weerstand is voornamelijk gebaseerd op onwetendheid en dus niet mijn koelbloedigheid. Toch was ik ook ooit zo’n onwetende.

Als kind heb ik genoeg wateren meegemaakt en hoewel er vaak prima zwemwater bij zat, zorgde danwel een kleibodem danwel een Noorzeebranding voor een haast claustrofobisch gebrek aan zicht. Mijn duikbril rook daarom voornamelijk naar chloor. Maar chloor en onderwaterleven is weer een slechte combinatie, dus visjes van dichtbij bekijken deed ik achter glas.

Toen ik tijdens mijn eerste duikcursus te horen kreeg dat er een verplicht (en dat woord maakt altijd indruk) buitenwaterdeel bij zat, vroeg ook ik me af hoe “Zie je daar iets dan?” gestalte ging krijgen. Blijkbaar wel dus. De leslocatie (en dat woord gaf weer een indruk dat er ook nog daadwerkelijk een locatie specifiek voor les was uitgekozen) was de Noorderplas in Vinkeveen, voor de duikers onder ons beter bekend als Zandeiland 4. Ook al zo’n benaming die doet vermoeden dat er keus is.

Bij aankomst leerde ik tijdens mijn eerste buitenwaterbriefing dat de diepe plas het gevolg was van zandwinning voor het maken van de A2. Aha, dus ik stond hier dus eigenlijk vanwege een infrastructurele behoefte. Daar ging mijn romantische idee van rietvoorntjes die hier “al duizenden jaren hun eigen leefgebied hadden”. Toch bleek de gewilde zandvoorraad niet volledig uitgeput en zorgde de zeer fijne zandbodem voor hetzelfde effect als gefilterd duinwater: het meest heldere zoetwater wat ik ooit in Nederland had gezien. Onderwater bleek het voor het eerst niet alleen om het juist gebruik van de duikspullen te gaan. Nee, ik bracht juist de spullen mee om hetgeen onder water te kunnen ervaren.

Voor het eerst werd mij een vis zonder glas ertussen aangewezen, en zelfs na de visuele bevestiging (wijzen onder water betekent zoiets als: probeer eens wat te vinden in die richting) schrok ik zelfs voor het eerst onderwater. De grote zilverglimmende snoekbaars week geen millimeter uit en was zich overduidelijk bewust van mijn herkenning. Ik voelde de omgekeerde dierentuinervaring, het dier (h)erkende de mens in zijn eigen omgeving. Om stil van te worden, en dat kwam op dat moment goed uit. Eenmaal aan de oppervlakte bleek de duikinstructeur verre van onder de indruk en herinnerde me eraan dat dit slechts “een leslocatie was, maar dat als ik echt mooie dingen in Nederland wilde zien, ik toch echt naar Zeeland moest”. And so I did.

Ik kende Zeeland alleen van uitersten als de Watersnoodramp (1953; zonder Wikipedia, dank meester Harm!) als tegenhanger van de Deltawerken en een degelijke plaatsnaam als Middelburg tegenover typografische wildgroei als Goeree Overflakkee. Toch moest er als duiker wat te halen zijn, en de voor Nederlandse begrippen lange autoreis erheen versterkte mijn verwachting. Mijn eerste duik in het Grevelingenmeer vergeet ik nooit meer, en in elke herhalingsduik in Zeeland tot de dag van vandaag voel ik weer een stukje van de verbazing van toen. De uitbundig begroeide zeebodem met oesters als bouwstenen, de garantie op het zien van Oosterscheldekreeften gecombineerd met de altijd aanwezige avontuurlijke kans op het zien van een bijzondere onderwaterbewoner (b.o.b.) maakte Zeeland ineens een heel andere provincie. Vanuit alle windstreken (behalve het Westen uiteraard) kwamen duikers hierheen om zich tegoed te doen aan het onderwaterleven, zonder daar een bord voor nodig te hebben. Op die dag werd ik ambassadeur van duiken in Nederland.

Toch is de vrees voor een lage watertemperatuur en verminderd zicht niet helemaal onterecht. Zoals het Nederlandse klimaat is, zo zijn ook de onderwatercondities. Er zijn geen garanties, en dat hoeft ook niet. Iedereen kent het gevoel wanneer het nieuws regen meldt en je de volgende middag met een spijbelgevoel heerlijk in het zonnetje zit. Je kunt je laten verrassen door Nederlands duikwater, twee kanten op. Avontuur dus verzekerd en ja, dan zie je altijd wel iets.

Begonnen!

Een psycholoog vertelde me ooit het voorbeeld van iemand die ondanks zijn hoogtevrees toch van de hoogste duikplank wilde springen, maar alleen als alle condities daarvoor gunstig waren. Het zwembad moest niet te druk zijn, hij moest zich rustig voelen, en dan zou het moment echt komen. Dat moment komt nooit.

Een verlangen naar het schrijven van verhalen sluimerde al heel lang. Maar waarover? Ik ging op zoek naar het punt waar interesse en vooral plezier samen kwamen, en mijn duikhobby gaf uitkomst. En daarmee was de behoefte gekoppeld aan een onderwerp. Geplaagd door het fenomeen uit het voorbeeld hierboven wist ik mijn enthousiasme vooral uit het idee te halen. Verder gebeurde er niets.

6 maanden later strandde ik op een weblog over schrijven, met daarin het onvermijdelijke advies om ‘gewoon’ te beginnen. Ik voelde me op de punt van de duikplank staan, teentjes al over de rand. Het punt van vertrek leek ineens niet meer belangrijk, nat worden was het doel. En zo startte ik op 1 mei 2017 het DuikersBlog.nl. Verhalen van onderwater, voor iedereen die mee wil.