Flessenpost: Dopper duikt op

Vorige week bracht ik een bezoek aan het tropische eiland Sangalaki, vlak voor de kust van Borneo, Indonesië. Daar was ik niet per toeval, want de wateren rondom dit eiland staan bekend als kristalhelder, barstensvol onderwaterleven en met weelderige koraaltuinen. Ideale condities voor een duikfanaat als ik.

Nu is de duikelaardij een bijzondere tak van toerisme. Van heinde en verre zijn vele Westerse toeristen bereid om 700 euro neer te leggen voor een vliegticket hiernaartoe. De lokale bevolking, die het bijzondere onder hun waterspiegel al eeuwen als vanzelfsprekend beschouwt, snapt daar weinig van. Toch zijn ze blij met de Bule (meervoud), zoals ze de blanke Europeaan in hun eigen taal noemen. En hun Europese portemonnees niet te vergeten, waar ze dan weer geen apart woord voor hebben. Wel een gimlach.

Een kloof ontstaat. Enerzijds zijn er de bewonderende duikers, die de kwetsbaarheid van de natuur erkennen en deze in relatie zien tot hun duikbeleving. Anderzijds is daar de Indonesische bevolking, overheid, en ook wel een beetje de mentaliteit. Zij zien geen kwetsbaarheid, want hun blik reikt zo ver als de volgende dag (wat weer een prima tijdelijke instelling is voor de toerist). De zee is voor hen oneindig vanzelfsprekend. En daarmee dus ook handig voor vuilnis, dat restje motorolie en dat oude kapotte visnet. Uit het oog, uit het hart. Logisch.

De duikschoolhouder draagt een shirt met daarop de tekst “Protect our ocean, one dive at a time”. In het resort hangt een affiche met daarop de tonnage aan plastic wat jaarlijks in de oceaan wordt gedumpt. Hetzelfde plastic waar thuis zo’n beetje tachtig procent van mijn boodschappen in wordt verpakt. Ik voel een ambassadeursrol lonken, maar wil niet roomser zijn dan de paus. Ik vlieg de halve planeet over om de prachtigste vissen levend te aanschouwen, en stuit eenmaal weer thuis toch ook op het lachende gezicht van kaptein Iglo wanneer ik mijn vriezer open. Dubbel.

Ik denk terug aan het shirt, en vooral het venijn van de staart in de boodschap: “één duik tegelijk”. En daar ontstaat denk ik ware duurzaamheid. Niet om de energie van frustratie of misschien wel boosheid te bundelen in een rigoureuze stap. Nee, het zijn de kleine stapjes. Volgens dit principe is de Indonesiër die normaliter elke dag tien vuilniszakken in de oceaan gooit, en op een dag slechts negen, per definitie dus goed bezig.

Duikers worden gevraagd, en soms zelfs gesommeerd, om hun dagelijkse drinkwatervoorraad niet telkens in plastic flessen te kopen, gebruiken en weg te gooien. Slechts een enkele herbruikbare drinkfles voor de hele vakantie volstaat namelijk prima. Eén duik tegelijk.


Moraal van het verhaal. Duurzaamheid werkt het beste met een lange, trage adem. Net als duiken trouwens.

Advocaat van de KoraalDuivel

Er zijn weinig vissen waarvan de Nederlandse naam beter past dan de Engelse. Waar deze vis internationaal wordt vergeleken met een leeuw (Lionfish), komt bij de Nederlandse vertaling toch een stuk meer kwaad naar voren. En niet onterecht, want de vis kent meerdere duivelse dilemma’s die verantwoordelijk zijn voor zijn aantrekkingskracht op duikers. De bijzondere onderwaterbewoner van deze keer: De Koraalduivel.

In het rijtje van typische koraalbewoners horen een paar vissoorten die de conclusie dat je een tropisch rif beduikt bevestigen. De clowsvis is er een van, en scoort hoog op de schattigheidsfactor. Absoluut niet schattig maar toch typerend is de koraalduivel. Met zijn waaierige, capeachtige vinnen ontdek je de koraalduivel relatief eenvoudig. En niet zonder reden, want de vis heeft een uitstekend afweermechanisme, letterlijk.

De koraalduivel valt onder de familie van de schorpioenvissen. Dat klinkt al venijnig, en zij hebben dan ook niet achter in de rij gestaan bij het gif uitdelen. Zo ook de koraalduivel, die een aura van giftige stekels om zich heen heeft. En dat weet de waterduivel maar al te goed. Hij is daarmee de MMA vechter tussen de discotheekgangers: prima dat hij er is, maar krijg er geen ruzie mee. De vis zet bij bedreiging de stekels overeind, en een smakelijk hapje (daarover later meer) verandert zo in een morgenster uit de diepte.

Qua anatomie is de vis verrassend hoekig, op het kunstzinnige af. Waar de clownsvissen gladde aaibare koppies hebben, hebben de koraalduivels ruwe randen en puntige vormen. Allen hebben zowel hun lijf als vinnen bedekt met een zebrapatroon, variërend van bruin-wit tot rood-psychedelisch-wit. De lange vinpunten hebben haast veerachtige waaiers die de vis, inclusief zijn ego, nog groter doen lijken.

Gif

Als geladen injectienaalden bevindt het gif zich in de punten van de stekels. Toch moet je daar dus zelf je huid doorheen prikken, want aan darten doet de koraalduivel niet. Het gif is bedoeld om pijn te doen, en om je er vriendelijk en bovendien neurotoxisch aan te herinneren het rifbaasje de volgende keer met rust te laten. Verwacht tintelingen, zwelling en een naar gevoel voor enkele uren tot enkele dagen. Geen grapjes dus, maar ook geen ramp. Je zou denken dat mensen, en dus duikers geen tot weinig reden zouden hebben om wat anders met de koraalduivels te doen dan van veilige afstand naar ze kijken……

Plaag

Niet dus, en hier komt het dilemma. De koraalduivels komen net als alle tropische vissen oorspronkelijk uit de Indopacifische driehoek. Daar zijn ze onderdeel van de voedselketen, met boven hen enkele waaghalzen die weten hoe je de stekels ontwijkt. Inmiddels komen de Lucifers sinds midden jaren ’90 ook voor in de wateren rond Midden-Amerika (waaronder ons Neerlands tropisch trots: de ABC eilanden). Daar zijn de voedselketens nog niet zo aan ze gewend. Roofvissen laten ze daarom angstvallig met rust, en vissen die kleiner zijn krijgen de kans om de duivel eens goed van dichtbij te bekijken, met name hun maag. Het gevolg is dat de vissen zich zonder natuurlijke vijanden als een razende voortplanten en zich onbeperkt volvreten met de toekomstige generatie Midden-Amerikaanse koraalbewoners.

Goh, das best een eindje zwemmen vanuit die driehoek…

Zeker, maar deze wereldreis is te danken aan Amerikaanse aquarianen die hun Lionfish maar wat graag tussen 5 glazen platen wilden laten zwemmen. Bij ongeluk en ongelukkigheid met de beestjes zijn ze zo ook in het lokale tropische water terechtgekomen. Als paria, maar daarom niet minder succesvol.

Kom in actie

Hoewel duikers bekend (zouden moeten) staan als ambassadeurs van de onderwaterwereld, met hart en respect voor alles wat onder water leeft, ging de koraalduivel hier te ver. Daarom is het in duikoorden in Midden-Amerika gangbaar om tijdens het duiken op ze te jagen. Juist, the Lionfish Hunter is daar een titel die je als duiker draagt met eer. Met speer en schaar worden de vogelvrij verklaarden onderwater gespietst en direct van hun gifstekels ontdaan. En meegenomen naar het oppervlakte.

Zeker om ze ritueel te verbranden en zo hun duivelse geesten te verdrijven!

Gedeeltelijk. Verbranden zeker, maar dan wel nadat ze goed zijn ingesmeerd met knoflook, olie, peper, zout en een druppie vurige tabasco (dat zal ze leren!). Juist, de koraalduivels blijken ondanks hun imago bijzonder smakelijk, weet ook uw duikblogger uit ervaring. Dus eet na de duik uw buikje rond en red een rif.

Een beetje een haat-liefde verhouding dus. Oh, en ook nog eens een van de leukste en herkenbare handgebaren om je buddy te geven! Doe uw handen als bij een gebed tegen elkaar aan, maar laat dan uw vingers op heidense wijze langs elkaar glijden, en aanbid de duivel onderwater.

Zo kies je de juiste duikschool

“And when your oxygen tank empty, you go up”. De duikinstructeur wijst naar de witte tank en het meisje wat in de snikhete zon haar hele wetsuit alvast heeft aangetrokken heeft een blik in haar ogen waarbij ze uit alle macht het advies probeert te relativeren. Ik probeer me voor te stellen hoe zij zich gaat voelen vlak voor het moment dat ze straks het water in zal gaan….

Duiken, vooral op vakantie, is een luxe manier om even helemaal nergens aan te hoeven denken. Alhoewel, je wilt natuurlijk wel dat het duikcentrum of duikschool waar je je als non aquatische diersoort aanmeldt ervoor zorgt dat jouw (vakantie)duiken onvergetelijk worden. Maar hoe doe je dat eigenlijk?

Hoewel deze blogpost een ideale basis zou vormen voor een marketing-uiting (een ‘gesponsorde blogpost’ heet dat geloof ik), ga ik objectief zijn. Ik ga beginnen met de meest belangrijke tip, die tegelijkertijd het meest moeilijk te toetsen is, vooral in een ‘wat-kan-mij-het-schelen-ik-ben-op-vakantie’ modus.

Ga op je gevoel af

Ben je een avontuurlijke duiker, juist een hele conservatieve, wil je uren hangen in koraaltuinen of het rubber bandje van je masker eens goed uittesten met een flinke stromingsduik? Ga met deze informatie naar je duikcentrum en kijk wat ze met je voorkeuren doen. Eerlijkheid hierbij is vaak een teken van goede service. “Koraaltuinen hebben we hier niet meneer, alhoewel het duikcentrum hiernaast u graag meeneemt onder het mom van, we zien wel wat we kunnen vinden”. Dat is fijn, bij dat antwoord weet je in ieder geval dat jouw wens wordt gewaardeerd, en nu je wat vertrouwen hebt kun je een alternatief aanvragen “wat is een mooie plek die jullie hier wel hebben dan, en waarom?”.

Met een PADI keurmerk zit je goed….toch?

De Professional Association of Diving Instructors is by far de grootste en meest bekende internationale duikorganisatie.  PADI heeft voor duikcentra die zich daarbij aansluiten een keurmerk met bepaalde kwaliteiten beschikbaar. Mensen met een PADI duikbrevet herkennen het logo, en ik moet eerlijk zeggen dat “PADI Five Star Gold Palm Dive Resort” wel verwachtingen schept. Helaas zeggen deze labels niets over de kwaliteit van de duiken die er met zo’n resort gemaakt kunnen worden. Wel wat over het aanbod van de lessen waar je een PADI pasje voor kunt behalen.

En SSI/NAUI/CMAS/NOB dan?

Zelfde verhaal. De lesinhoud van deze PADI alternatieven is per definitie niet beter of slechter, alles valt en staat met de manier waarop het duikcentrum reilt en zeilt.

“Tjonge, dat maakt het niet echt makkelijker allemaal”

Valt mee. De duikcommunity is gelukkig groot en wijdverspreid. Een grote tip is dan ook om ervaringen van anderen mee te nemen in je overweging. Mail een duikschool op locatie A en vraag of ze nog een goede duikschool kennen op locatie B (niet vlak naast de deur natuurlijk, zo onontwikkeld dient een gezond marketingverstand nou ook weer niet te zijn, maar in hetzelfde land of streek is helemaal geen gekke vraag). En duikers kennen weer andere duikers, dus mocht je het bereik van je sociale netwerk dusdanig hebben gerekt dat je er een gevonden hebt, dan is het moeilijkste deel van je zoektocht vaak al voorbij.

Horen duiken doet duiken

Vergeet niet de recensies die je op internet leest. Daar moet je wel even de mini-cursus ‘hoe spot ik een fake review’ voor hebben gevolgd overigens. Mocht je het idee hebben dat je een Tell-Sell reclame aan het lezen bent: “Het personeel van dit resort is echt helemaal geweldig, de bedden zijn de fijnste bedden waar we ooit op geslapen hebben, het eten is werkelijk fantastisch en kost een schijntje! Mijn trouwe man en onze vier beeldige kinderen werden er elke ochtend door eenhoorns wakker gegiecheld. ” stop right there. Tripadvisor is een redelijk goede internationale bron van reviews, waar de resorts ook zelf kunnen reageren op weer de achtergelaten recensies van de gasten. Mocht een resort zowel op de positieve als op de negatieve recensies van gasten reageren, dan is dat een goed teken.

Last but not least; tone of voice.

De menselijke intonatie, of bij tekst het “tussen de regels door” gevoel is eigenlijk een toevoeging op het eerst behandelde punt. “Diving is fun”, is een kreet die veel voor promoties wordt gebruikt. En dat zou het ook moeten zijn. Kies daarom voor de duikschool/duikcentrum waar je blij wordt van de toon waarmee ze met je communiceren. Maken ze je enthousiast? Stellen ze je gerust, zijn ze eerlijk/realistisch? Allemaal aardige voorspellers dat het duiken met ze ook zo zal zijn.

Hoe de clownvis de wereld veroverde

Mensen worden graag meegenomen in een verhaal (wat waarschijnlijk ook de reden is waarom je deze blogpost leest). De entertainmentindustrie speelt hier handig op in en weet ons keer op keer te verrassen met een nieuw onderwerp. Soms wordt daar een bijzondere onderwaterbewoner voor gebruikt die na een succesvolle productie voortaan anders worden behandeld. De b.o.b. die het spits van deze rubriek afbijt: De Clownvis.

Een iconische combinatie van een grijze rugvin en een cello (bedankt nog, Steven Spielberg) zorgde ervoor dat ik als zwemmend kind zelfs in het zwembad nog een keertje extra achterom keek. Een Amerikaanse tv-serie over een altijd lachende dolfijn zorgde eerst voor dikke rijen mensen (en andersom) op de Harderwijkse Veluwe en later zelfs voor een kijkje in een verboden baai. Gelukkig werkt dit fenomeen van mediahype ook de andere kant op en hoor ik zelfs 14 jaar na de release nog bij menig zoutwateraquarium: “Kijk mama, een Nemo!”.

Clownvissen dus. Dankzij Pixar, die het voor elkaar kreeg om een vissensoort menselijke emoties te laten uiten. En met succes, want de film staat nog steeds hoog in mijn animatie-top-10. Toch weet ik als duiker ook hoe het er in het echt aan toe gaat en voor een objectief beeld is dat mogelijk interessant. Mocht je liever blijven geloven dat clownvissen kunnen praten dan raad ik je vooral aan om niet verder te lezen.

De clownvis is een anemoonvis en heeft afhankelijk van de soort 1,2 of 3 witte banden om zijn lijf. Je kunt hem (of haar, daar kom ik zo nog op terug) vinden op de tropische koraalriffen en omdat ze niet heel diep leven en zich niet snel verstoppen zijn ze relatief makkelijk te vinden voor elke (beginnende) duiker. De reden dat ze zich niet snel verstoppen is omdat ze een vrij unieke bescherming hebben van een ander onderwaterdier: een anemoon. Waar deze normaal zelf vis op het menu heeft staan is de clownvis ongevoelig voor de giftige tentakels, die voor blote mensenhanden ook nog best pijnlijk zijn. Of evolutie deze vissen daarnaast ook zo arrogant heeft gemaakt moet nog blijken, maar clownvissen zijn vaak alles behalve bang.

Als duikgids in de tropen, wat ik ook een tijdje gedaan heb, is het na verloop van tijd eenvoudig om het soort anemoon waar ze in zitten te herkennen. Daarna is het een kwestie van de mededuikers het clownvis handsignaal te geven en je ziet ze mentaal uitroepen: “Nemo’s!”. Clownvissen die duikers gewend zijn hebben vaak geen probleem om de anemoon tijdelijk te verlaten voor een confrontatie, en ik heb er wel eens één meegemaakt die als een dolle kamikazepiloot frontaal tegen het glas van mijn duikmasker botste. Dat heb ik ze in de film niet zien doen.

Wat in de film ook minder goed naar voren kwam is dat clownsvissen van geslacht (kunnen) veranderen. En vrij praktisch ook nog. Elke clownvis wordt als inactieve vrouw geboren en elke anemoon heeft een groepje van meerdere mannen en één vrouw. Zodra deze vrouw haar laatste slok water uitblaast verandert een van de mannen in de nieuwe vrouw. Waar wij als mensen discussies hebben over waar genderneutralen naar de wc moeten, zorgen de clownvissen voor duidelijkheid. Mocht je zo’n omgekeerde harem een keer in hun anemoon tegenkomen dan is de grootste clownvis altijd het vrouwtje. Mocht dit vrouwtje zich toch nog wat mannelijk gedragen (shag roken, flauwe opmerkingen, ankertattoo’s nog niet weg laten halen, dat soort werk), dan weet je dat het vorige vrouwtje nog niet zo lang geleden is heengegaan.

Nu we de basics hebben gehad wordt het tijd voor een diepere laag van informatie. Wetenschappers zijn er namelijk nog niet over uit (goh?) welke relatie de vis nu precies met de anemoon heeft. Feit is dat de vissen zich continue aan de tentakels van de anemoon schuren om resistentie tegen het gif te behouden. In de tussentijd houden ze de anemoon gevoed, schoon en verdedigen deze zelfs tegen roofdieren. De anemoon profiteert hier dus en in ruil daarvoor krijgen de visjes een ‘welbetentakeld onderwaterkomen’ (moeilijk om hier een term zonder enige vorm van een dak te gebruiken). De biologische term hiervoor is een symbiotische relatie. Toch is er ook een andere stroming, en deze theorie vind ik zelf de leukste, die oppert dat de anemoon juist controle heeft over de vissen door stoffen aan te maken die zij door het schuren opnemen. Zo zou een anemoon op slinkse wijze misschien wel de eerder genoemde arrogantie bij een bezoek van duikers kunnen veroorzaken. Theorie, (nog) geen bewijs, maar zeker leuk om tijdens een decobiertje eens over na te denken.

De Pixar keuze voor deze b.o.b heeft ervoor gezorgd dat deze vissen zeer populair zijn geworden en daarmee niet alleen in de zee. Ook zoutwateraquaria zitten er vol mee wat als duiker potentieel een puntje van kritiek zou kunnen zijn: “Graag wel wat laten zitten voor ons”. Gelukkig heeft de Pixar hype ook hier positief effect. Clownvissen zijn namelijk relatief eenvoudig in gevangenschap te kweken en een vraag doet in dit geval goede dingen voor het aanbod. Zo zullen de Nemo’s in gevangenschap ook regelmatig botsen tegen het glas, maar eerder uit onhandigheid dan uit agressie.

Vond je deze blogpost leuk om te lezen? Deel dit plezier dan en gebruik de knoppen hieronder om dit verhaal via Social Media te delen.

Waarom je in Nederlands water wil duiken

“Zie je daar iets dan?” is een veelgehoorde reactie op mijn, inmiddels vanzelfsprekende, overtuiging om ook in Nederlands water te kunnen en vooral willen duiken. Soms geniet ik even van het moment van stoer zijn, omdat ik dit dus wel doe en dus…..durf? Dat moment is gelukkig kort, want de weerstand is voornamelijk gebaseerd op onwetendheid en dus niet mijn koelbloedigheid. Toch was ik ook ooit zo’n onwetende.

Als kind heb ik genoeg wateren meegemaakt en hoewel er vaak prima zwemwater bij zat, zorgde danwel een kleibodem danwel een Noorzeebranding voor een haast claustrofobisch gebrek aan zicht. Mijn duikbril rook daarom voornamelijk naar chloor. Maar chloor en onderwaterleven is weer een slechte combinatie, dus visjes van dichtbij bekijken deed ik achter glas.

Toen ik tijdens mijn eerste duikcursus te horen kreeg dat er een verplicht (en dat woord maakt altijd indruk) buitenwaterdeel bij zat, vroeg ook ik me af hoe “Zie je daar iets dan?” gestalte ging krijgen. Blijkbaar wel dus. De leslocatie (en dat woord gaf weer een indruk dat er ook nog daadwerkelijk een locatie specifiek voor les was uitgekozen) was de Noorderplas in Vinkeveen, voor de duikers onder ons beter bekend als Zandeiland 4. Ook al zo’n benaming die doet vermoeden dat er keus is.

Bij aankomst leerde ik tijdens mijn eerste buitenwaterbriefing dat de diepe plas het gevolg was van zandwinning voor het maken van de A2. Aha, dus ik stond hier dus eigenlijk vanwege een infrastructurele behoefte. Daar ging mijn romantische idee van rietvoorntjes die hier “al duizenden jaren hun eigen leefgebied hadden”. Toch bleek de gewilde zandvoorraad niet volledig uitgeput en zorgde de zeer fijne zandbodem voor hetzelfde effect als gefilterd duinwater: het meest heldere zoetwater wat ik ooit in Nederland had gezien. Onderwater bleek het voor het eerst niet alleen om het juist gebruik van de duikspullen te gaan. Nee, ik bracht juist de spullen mee om hetgeen onder water te kunnen ervaren.

Voor het eerst werd mij een vis zonder glas ertussen aangewezen, en zelfs na de visuele bevestiging (wijzen onder water betekent zoiets als: probeer eens wat te vinden in die richting) schrok ik zelfs voor het eerst onderwater. De grote zilverglimmende snoekbaars week geen millimeter uit en was zich overduidelijk bewust van mijn herkenning. Ik voelde de omgekeerde dierentuinervaring, het dier (h)erkende de mens in zijn eigen omgeving. Om stil van te worden, en dat kwam op dat moment goed uit. Eenmaal aan de oppervlakte bleek de duikinstructeur verre van onder de indruk en herinnerde me eraan dat dit slechts “een leslocatie was, maar dat als ik echt mooie dingen in Nederland wilde zien, ik toch echt naar Zeeland moest”. And so I did.

Ik kende Zeeland alleen van uitersten als de Watersnoodramp (1953; zonder Wikipedia, dank meester Harm!) als tegenhanger van de Deltawerken en een degelijke plaatsnaam als Middelburg tegenover typografische wildgroei als Goeree Overflakkee. Toch moest er als duiker wat te halen zijn, en de voor Nederlandse begrippen lange autoreis erheen versterkte mijn verwachting. Mijn eerste duik in het Grevelingenmeer vergeet ik nooit meer, en in elke herhalingsduik in Zeeland tot de dag van vandaag voel ik weer een stukje van de verbazing van toen. De uitbundig begroeide zeebodem met oesters als bouwstenen, de garantie op het zien van Oosterscheldekreeften gecombineerd met de altijd aanwezige avontuurlijke kans op het zien van een bijzondere onderwaterbewoner (b.o.b.) maakte Zeeland ineens een heel andere provincie. Vanuit alle windstreken (behalve het Westen uiteraard) kwamen duikers hierheen om zich tegoed te doen aan het onderwaterleven, zonder daar een bord voor nodig te hebben. Op die dag werd ik ambassadeur van duiken in Nederland.

Toch is de vrees voor een lage watertemperatuur en verminderd zicht niet helemaal onterecht. Zoals het Nederlandse klimaat is, zo zijn ook de onderwatercondities. Er zijn geen garanties, en dat hoeft ook niet. Iedereen kent het gevoel wanneer het nieuws regen meldt en je de volgende middag met een spijbelgevoel heerlijk in het zonnetje zit. Je kunt je laten verrassen door Nederlands duikwater, twee kanten op. Avontuur dus verzekerd en ja, dan zie je altijd wel iets.

Begonnen!

Een psycholoog vertelde me ooit het voorbeeld van iemand die ondanks zijn hoogtevrees toch van de hoogste duikplank wilde springen, maar alleen als alle condities daarvoor gunstig waren. Het zwembad moest niet te druk zijn, hij moest zich rustig voelen, en dan zou het moment echt komen. Dat moment komt nooit.

Een verlangen naar het schrijven van verhalen sluimerde al heel lang. Maar waarover? Ik ging op zoek naar het punt waar interesse en vooral plezier samen kwamen, en mijn duikhobby gaf uitkomst. En daarmee was de behoefte gekoppeld aan een onderwerp. Geplaagd door het fenomeen uit het voorbeeld hierboven wist ik mijn enthousiasme vooral uit het idee te halen. Verder gebeurde er niets.

6 maanden later strandde ik op een weblog over schrijven, met daarin het onvermijdelijke advies om ‘gewoon’ te beginnen. Ik voelde me op de punt van de duikplank staan, teentjes al over de rand. Het punt van vertrek leek ineens niet meer belangrijk, nat worden was het doel. En zo startte ik op 1 mei 2017 het DuikersBlog.nl. Verhalen van onderwater, voor iedereen die mee wil.